In Memoriam Jan de Jong (1928 – 2020)

Gepubliceerd: 16 februari 2021

Jan de Jong, die 18 september jl. te Haarlem overleed, behoorde tot de eerste groep nieuwe medewerkers van de Geologische Stichting die in de jaren vijftig van de vorige eeuw aan de nieuwe kartering van Nederland begon. Na de watersnood van 1953 gaf de overheid aan de Geologische Stichting (de voorloper van de Geologische Dienst) de opdracht om de geologische kaart te herzien. Het personeelsbestand van de Geologische Stichting steeg, en in 1954 werden er nieuwe laboratoria gesticht, met als eerste het pollen(analytisch) laboratorium onder leiding van Waldo Zagwijn. De eerste vijftien jaar, tot de Geologische Stichting overging naar de Rijks Geologische Dienst in 1968, was een echt pioniersstadium: er was nog zoveel nieuws te ontdekken met geheel nieuwe methoden.

Jan heeft hier ruimschoots aan bijgedragen. In eerste instantie kwam hij in de buitendienst terecht. Als de lente begon mochten de veldmedewerkers in de vrije natuur boringen zetten en het opgeboorde materiaal beschrijven. In de wintermaanden werden de uitkomsten van de boringen uitgewerkt tot profielen, kaarten, et cetera. Jan startte in het Westland bij Ter Wee. Later deed hij in Zeeland ervaringen en bekwaamheden op die van onschatbare waarde zouden blijken. In samenwerking met Jaap Zandstra nam hij in die eerste jaren ook de befaamde tunnelput bij Velsen op.

Pollen

Door allerlei omstandigheden, waaronder de behoefte om een wat minder zwervend bestaan te leiden, vroeg Jan, inmiddels gehuwd met zijn vrouw Rietje, in 1956 overplaatsing aan naar het pollenlab (binnendienst). Zijn opleiding aan de Hogere Tuinbouwschool in Frederiksoord, anderhalf jaar werkervaring bij een tuinbouwbedrijf in Zweden en de daarbij opgedane liefde voor planten zullen bij die keuze ook hebben meegespeeld. Jan bleek een geweldige aanwinst voor het laboratorium. Onder leiding van Zagwijn werd hij geschoold tot palynoloog: monsters nemen en chemisch bereiden voor het stuifmeelonderzoek, preparaten maken voor het microscopisch onderzoek, palynomorfen determineren en tellen, en het verwerken van de tellingen tot diagrammen. De verkregen informatie was van belang voor de andere disciplines in het Wetenschappelijk Laboratorium, en voor de toelichtingen bij de kaartbladen. Jan verzorgde, veelal in overleg met de districten, niet alleen de monstername, maar ook de afwikkelingen met het 14C-laboratorium in Groningen. Het belang van deze uitkomsten blijkt uit een in 1982 gepubliceerd overzichtsartikel over het Holoceen, ‘Chronostratigraphic subdivision of the Holocene in The Netherlands’. Jan verrichte niettemin ook veel veldwerk. Handen uit de mouwen paste goed bij hem als boerenzoon uit een gezin met negen kinderen.

De jaren vijftig en zestig waren de economische en geologische ‘boom’ jaren. Overal in Nederland werd gegraven voor de aanleg van tunnels, aquaducten en sluizen, en voor grind-, zand- en kleiwinning in talrijke groeven. Vooral de grote graafwerken in de duinen bij Vogelenzang en bij de Hoogovens in Beverwijk van 1962-1964 waren bijna niet bij te benen. Vanaf 1964 werden de werkzaamheden nog verder verruimd, toen door heel Nederland de aardgasleidingen werden aangelegd met sleuven die een kilometer per dag konden opschuiven.

Vanaf de jaren zeventig richtten de discussies zich op het aantal en de intensiteit van de Pleistocene glaciaties die Noordwest-Europa beïnvloedden, wat leidde tot verscheidene wetenschappelijke publicaties. Jan nam een steeds groter aandeel in het werk op het Kwartaire pollenlab (waar ook zaden en vruchten bekeken werden, zodat het Paleobotanisch Laboratorium werd genoemd), al spoedig als assistent-geoloog en later tijdens de periode van de Geologische Dienst met persoonlijke rang als geoloog. Het was dan ook vanzelfsprekend dat hij in 1978 hoofd werd van de Paleobotanische Afdeling. In de jaren tachtig werd, samen met palynoloog Piet Cleveringa, hechtere samenwerking tussen de verscheidene afdelingen en disciplines, waaronder die van diatomeeën, mollusken en pollen, bewerkstelligd.

Archeologie

De zeer aimabele Jan heeft zich vele vrienden verworven bij palynologen, geologen en, ‘last but not least’, bij vele archeologen. Al vroeg ging zijn persoonlijke belangstelling uit naar het raakvlak van geologie, palynologie en archeologie. Zijn ervaringen in zijn geboorteplaats Ureterp met vuurstenenwerktuigen van rendierjagers zijn daar niet vreemd aan geweest. Jan bood archeologen informa     tie over het afzettingsmilieu (landschapsreconstructie) op basis van de sedimenten waarin de archeologische vondsten gedaan waren, beschreef de verstoringen die hij in de bodem aantrof, en verstrekte informatie over het landgebruik van de mens in specifieke periodes. Naast bodemonderzoek was hij als auteur en bestuurslid nauw betrokken bij de oprichting in 1976 van het periodiek Haarlems Bodem Onderzoek (HBO). Verder maakte Jan deel uit van de Gemeentelijke Commissie voor Oudheidkundig Bodemonderzoek en droeg hij bij aan de samenstelling van verschillende tentoonstellingen. Zo werkte hij ter ere van het 750-jarig bestaan van de stad mee aan de uitgave van een vereenvoudigde geologische kaart van Haarlem met belangrijke archeologische vindplaatsen.

Ook na zijn pensionering in september 1992 bleef Jan actief voor Haarlem. Voor geologisch-palynologisch onderzoek dat hij gedurende enkele decennia verrichtte bij archeologische opgravingen en grote grondverzetwerken, zoals de aanleg van nieuwe riolering en de herinrichting van het Stationsplein, ontving hij in 2013 de Penning van Verdienste van de stad Haarlem. Het Archeologisch Museum wijdde bij deze gelegenheid een tentoonstelling aan zijn werk.

Het overlijden van Jan is een groot gemis. Onuitwisbaar in ons geheugen blijven de herinneringen aan Jan in het veld, waar hij met aanstekelijk enthousiasme zijn grote kennis presenteerde over de ecologische samenhang tussen planten en hun biotoop. Een van de aardigste collega’s die we hebben mogen kennen.

Dirk Munsterman en Piet Cleveringa

 Deze IM is ook geplaatst in Geo.brief 2020-7/8 van dit jaar. Voor de totstandkoming van dit schrijven is, naast onze persoonlijke herinneringen, gebruik gemaakt van Zagwijns reflectie bij de pensionering van Jan de Jong op 30 september 1992, en van Aukjen Nauta’s verslag in Geo.brief 2013-3 over de uitreiking van de Penning van Verdienste aan Jan door de stad Haarlem.